Doelmatigheid
Doelmatigheid betrfet de mate waarin de gewenste prestaties en de beoogde maatschappelijke effecten worden gerealiseerd met een zo beperkt mogelijke inzet van middelen.
Er kan onderscheid worden gemaakt tussen de doelmatigheid van het functioneren van de gemeentelijke organisatie en maatschappelijke doelmatigheid. De doelmatigheid van de organisatie zegt iets over de verhouding tussen middelen (bijvoorbeeld personele middelen, of ingeschakelde externe deskundigheid) en daarmee gerealiseerde producten of prestaties door de gemeente zelf.
De maatschappelijke doelmatigheid heeft betrekking op de gehele keten van productie of dienstverlening. In geval bijvoorbeeld van subsidies heeft de doelmatigheid van de organisatie betrekking op het proces van subsidieverlening bij de gemeente (verloopt dat proces tegen minimale kosten), terwijl de maatschappelijke doelmatigheid de vraag betreft of dankzij het instrument subsidie met minimale middeleninzet een bepaald doel wordt gerealiseerd. Bij het beoordelen van maatschappelijke doelmatigheid is ook de vraag aan de orde of er niet andere instrumenten mogelijk zijn, waardoor met minder inzet van middelen dezelfde doelen kunnen worden gerealiseerd. Alternatieven voor het instrument subsidie zijn bijvoorbeeld regels of voorlichting.
Het college wordt geacht in de programmabegroting vast te leggen wat het gaat doen om de doelen van de gemeente te realiseren en wat dat mag kosten. Van een dergelijke vastlegging zou mogen worden verwacht dat deze naast een weergave van de kosten zelf, ook een beeld geeft van de doelmatigheid van de organisatie. Kengetallen van deze strekking bevatten begrotingen in het algemeen echter nog niet.
Zowel het college als de Rekenkamer hebben op grond van de Gemeentewet een taak in het onderzoeken van doelmatigheid (Gemeentewet artikel 213a, respectievelijk artikel 182). In de verordening 213a is deze taak van het college meer geconcretiseerd.
